Been

Regelmatig betrap ik mijzelf erop dat ik aan het been van mijn beppe zit te denken. Voor diegene die mij niet kennen (en waarschijnlijk ook voor diegenen die mij wel kennen) behoeft dit wellicht enige uitleg. Een stukje geschiedenis dus.

Toen mijn beppe (oma), genaamd Ybeltje, (for real) negentien was kreeg zij botkanker. Als gevolg van deze nare ziekte moest haar been geamputeerd worden. Nou is dat natuurlijk al vreselijk genoeg maar de situatie werd nog benarder doordat een prothese in die tijd onbetaalbaar was en niet vergoed werd vanuit een zorgverzekering maar uit eigen zak moest worden gefinancierd.

Mijn beppe kon dit niet betalen en dus besloten haar twee zussen en zes broers hun spaargeld bij elkaar te leggen om voor hun zus een been aan te schaffen. Ik vind dit een prachtig verhaal en heb mijn moeder vele malen gevraagd om het mij te vertellen.

Toen ik nog heel jong was had ik niet eens door dat mijn beppe één echt en één kunstbeen had. Dat ze wat vreemd liep viel in mijn grotendeels motorisch gestoorde familie niet zo heel erg uit de toon, en op schoot ging je gewoon op het zachte been zitten en niet op het oncomfortabele, harde been.

Pas toen ik haar een keer zonder haar prothese op één been door haar slaapkamer zag huppen realiseerde ik mij dat ze echt maar één been had, en pas vele jaren later dat zij dus een handicap had. Zo werd er door ons namelijk helemaal niet naar gekeken. Mijn beppe kon zich namelijk ondanks haar ‘beperking’ prima redden. Haar sierlijk gevormde wandelstok van glanzend hout verleende haar in plaats van een kwetsbare juist een elegante en bijna aristocratische uitstraling. Het feit dat zij stokdoof was vormde een grotere belemmering.

Het been fascineerde mij als kind mateloos. En al hoorde het bij haar als zij het aan had, toch was de engste plek om je tijdens een potje verstoppertje bij beppe op zolder te verschuilen, achter het gordijntje onder de schuine wand, waar ze haar reserve prothese bewaarde. Gehurkt naast het levenloze been werkten de angstaanjagende geluiden die de verwarmingsketel maakte altijd op mijn blaas en moest ik mijn schuilplaats dikwijls voortijdig verlaten om snel naar het toilet te rennen.

Toen mijn beppe op tweeëntachtig jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een reeks hersenbloedingen was ik een puber en er staat me niet zo heel veel meer bij van die periode. Ik weet alleen dat ze klaar was met het leven en tegelijkertijd niet wilde gaan en dat ze de laatste keer dat ik bij haar was mijn hand heel lang en hard vasthield, zo hard dat ik me verwonderde over de kracht die er nog in dat oude kleine lijfje zat, en dat ik me groot wist te houden tot ik op de, naar kool stinkende, gang van het verzorgingshuis stond en me realiseerde dat ik haar waarschijnlijk nooit meer levend zou zien.

Ze werd begraven en ik geloof dat we van de erfenis uit eten zijn geweest met de familie, en toen was het op. Mijn moeder en tante hebben de weinige spulletjes die ze had uitgezocht. Meubeltjes naar de kringloop, de trouwringen van pake en beppe werden verdeeld en haar been ging naar een derde wereld land.

Dit is dus het betreffende been waar ik in de eerste zin van dit relaas naar verwees en waar mijn fantasierijke geest met mij op de loop gaat.

In mijn gedachten zie ik het been voor mij, tussen stapels gedumpte kleren die uit de mode zijn, in een doos, of misschien wel in een grote container gevuld met andere kunstmatige armen en benen, als de uitvergrote speelgoedkist van een sadistisch kind dat de ledematen van al haar poppen afgerukt heeft.

Ik zie voor me hoe het been de reis naar Afrika maakt, vanuit het vliegtuig wordt overgeladen in een oude krakkemikkige vrachtwagen, waarna het zijn reis vervolgd over slecht begaanbare wegen van rode aarde, op weg naar een klein dorpje met hutjes van klei of naar de townships waar een stad van golfplaten en rotzooi duizenden herbergt.

De vrachtwagen wordt uitgeladen en beppe’s been komt op een grote hoop terecht waar donkere handen tussen onze afdankertjes op zoek gaan naar nieuwe schatten. Een hand omklemt mijn beppe’s enkel en trekt het been tussen de stapels kleren vandaan, bekijkt het nauwkeurig van onder naar boven alvorens met het been onder de arm naar huis te rennen. Waar het been een nieuwe ouma (oma/beppe in het Afrikaans) als eigenaar krijgt, en voor iemand anders ‘ouma’s been’ word. Zo vervoert het been nog vele eigenaren, loopt het nog vele kilometers en draagt verschillende schoenen, zowel dames als heren. Totdat het zijn lading niet meer kan dragen en uiteindelijk bij iemand eindigt die het als een soort moderne kunst, morbide plantenbak of deurstopper gebruikt.

Als ik merk dat ik medelijden met mijzelf heb omdat ik nog steeds vrijgezel ben, geen leuke baan heb of mijn kleine teentje keihard stoot aan de tafelpoot, dan denk ik aan mijn beppe en haar been. Aan hoe zij zich moet hebben gevoeld toen ze haar been wegnamen en hoe zij met één been een geweldige man wist te strikken, een fijn gezin had en een humoristische, moderne vrouw was, en dan bedenk ik me dat het met mij, mét twee benen, ook heus wel goed komt .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s